09 sep Hoe de kat in huis kwam

Wie weleens geprobeerd heeft een angstig exemplaar te vangen, weet hoe eigenzinnig ze zijn: katten. Zelfs in de archeologische wereld staan ze bekend als ongrijpbaar. Duizenden jaren na hun dood laten ze zich nog moeilijk vinden en doorgronden. “Heel af en toe af vind je wat kattenbotjes die bewaard zijn gebleven”, zegt Wim van Neer, archeozoöloog van het Koninklijk Belgisch Instituut voor de Natuurwetenschappen.

Een archeozoöloog als Van Neer doet onderzoek naar dierresten. Runderen, geiten, schapen, varkens, dat zijn voedseldieren die in grotere aantallen voorkomen, vertelt hij. Hun overblijfselen komen vaker voor op archeologische vindplaatsen, in slachtafval en de resten van maaltijden. Maar katten staan bovenaan de voedselpiramide. “Mensen eten geen katten. Meestal sterven ze alleen, waarna hun kadaver vergaat.”

Als er al een oude kat wordt gevonden, moet het beest op een bijzondere plek zijn doodgegaan. Met name katten die geofferd werden of iets bijzonders betekenden voor een mens, zijn bewaard gebleven. En dan is er nog een andere uitdaging voor de archeoloog. Katten zijn door domesticatie minder veranderd dan bijvoorbeeld honden. Skeletten van wilde en gedomesticeerde katten zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Kortom: Van Neer wist als geen ander hoe complex de studie zou worden die hij wilde gaan opzetten. En toch besloot hij eraan te beginnen. Samen met een team van collega-archeologen en genetici onderzocht hij de skeletten en overblijfselen van maar liefst tweehonderd katten; de oudsten uit de steentijd, de jongsten uit de negentiende eeuw.