13 jan Selectie aan de poort dupeert allochtoon

Sinds opleidingen selecteren aan de poort zijn er minder mannen en niet-westerse allochtonen toegelaten, evenals minder leerlingen die op hun eindexamen gemiddeld lager dan een 7 scoorden. Zij beginnen minder vaak aan een hbo- of universitaire opleiding met een numerus fixus, waarvoor eisen worden gesteld zoals kennistoetsen, motivatiebrieven, persoonlijke gesprekken of goede cijferlijsten. Dit concludeert de Onderwijsinspectie op basis van cijfers tussen 2011 en 2015.

Vanaf 2011 mogen opleidingen de meest geschikte studenten selecteren. Sindsdien is de vrees dat ‘laatbloeiers’ of studenten met een zwakkere sociale achtergrond minder makkelijk doorstromen naar het hoger onderwijs. Daarom is het voor de inspectie belangrijk om vast te stellen of de toename van selectiecriteria aan het hbo en de universiteit de toegankelijkheid van het hoger onderwijs ook echt belemmert. Het gaat daarbij om respectievelijk 21 en 15 procent van de bachelorstudies.

Volgens de inspectie is dat niet het geval. De percentages lijken gering. In vier jaar nam het aantal mannen bij selecterende studies op de universitaire opleidingen met selectie aan de poort af van 49 naar 46 procent en het percentage ‘7-minners’ van 69 naar 66. Er was onder niet-westerse allochtonen nauwelijks sprake van een daling op de universiteit. Op de hbo’s wel: hun aantal daalde sinds 2011 van 16 naar 14 procent bij selecterende studies. In absolute aantallen gaat het toch nog om zo’n 850 niet-westerse studenten, 750 ‘7-minners’ en 600 mannen minder.

Niet-selecterende studies
Of zij zich niet meer hebben ingeschreven voor een hbo-opleiding die selecteert of zijn afgewezen bij de selectie, weet de inspectie niet. Over het geheel genomen is het aantal niet-westerse allochtonen in het hoger onderwijs niet gedaald. Deze groep verspreidt zich over niet-selecterende studies.

Theo Wubbels, hoogleraar onderwijskunde, vindt dat ‘de inspectie daar te gemakkelijk over doet’. Hij was jarenlang verantwoordelijk voor de toelating van studenten aan de Universiteit Utrecht. “We weten dat niet-westerse allochtone studenten lagere cijfers halen op de middelbare school. Dus als je vindt dat ze een even grote kans moeten hebben op een studieplek, moet je het anders aanpakken.”

Wubbels is sowieso niet positief over de toename van opleidingen met selectie. “Als je selecteert, dan krijg je mensen binnen die zo’n selectie beter aankunnen, niet per se de beste studenten.” Hij wijst erop dat er bijna geen selectie-instrumenten zijn die wetenschappelijk bewezen studiesucces voorspellen.

Ser-advies
De Sociaal-Economische Raad, waarin werkgevers en vakbonden zijn vertegenwoordigd, vroeg eind 2015 nog extra aandacht voor studenten van niet-westerse afkomst. In een advies aan de minister van onderwijs stelt de raad: “Voor de arbeidsmarktpositie van deze groep is extra van belang dat optimale mogelijkheden om opleidingen te stapelen blijven bestaan, dat onderwijs betaalbaar en toegankelijk is en dat er voldoende rolmodellen in het hoger onderwijs aanwezig zijn.”

“Het gaat nu om een paar procenten, maar dit mag geen trend worden”, meent Linde de Nie, voorzitter van studentenvakbond Iso. “We moeten voorkomen dat bepaalde studenten door selectie ontmoedigd worden om te gaan studeren.”