18 mei Twee generaties bèta

Hoe staat het bètaonderwijs ervoor? We vroegen het een ‘jonkie’ en een oude rot in het vak. Susanne van den Bogaard en Wilma Houben over de vervagende grenzen tussen bètavakken, te hoge verwachtingen en de noodzaak tot bijscholing. ‘Laten we eerlijk zijn, die kwantummechanica zat vroeger echt niet in ons curriculum.’

Ze komt net binnenlopen, met haar motorbroek nog aan. Susanne van den Bogaard zet in de hippe koffiebar van de TU Delft haar helm op een tafeltje en gaat zitten. Ze maakt zich op voor een dag vol colleges. Hier in Delft doet ze de lerarenopleiding om haar eerstegraads lesbevoegdheid Wiskunde en Onderzoek & Ontwerpen (O&O) te halen. Ze stelt zich voor aan Wilma Houben, die haar studie er al een tijdje op heeft zitten en al 32 jaar met veel plezier in het onderwijs werkt. Daar zitten ze, twee generaties bètadocenten.

Houben vertelt dat ze een scala aan bètavakken geeft aan het Picasso Lyceum in Zoetermeer: natuurkunde, scheikunde en biologie in de onderbouw en in de bovenbouw biologie en NLT. Aan de Universiteit Leiden studeerde ze begin jaren tachtig Algemene Biologie, en met de lerarenopleiding erbij was dat een flinke studie van zes en een half jaar. Toen ze afstudeerde was net ontdekt hoe de basenvolgorde in ons DNA kan worden bepaald. ‘Een mooie tijd voor biologen, maar middenin de crisis van de jaren tachtig was er geen baan te vinden’, zegt Houben. ‘Ik begon met vijf uur lesgeven, over drie dagen verspreid.’

Van den Bogaard fronst haar wenkbrauwen. ‘Echt wáár?’ Dat liep bij haar wel anders. In 2008 studeerde ze af als Industrieel Ontwerper. Ze kwam eerst terecht in de olie en offshore-business, vervolgens bij een ICT- bedrijf. Daarna wilde ze meer bijdragen aan de maatschappij. Ze dacht aan het onderwijs. Ze stuurde een mailtje naar het Helinium in Hellevoetsluis, of ze een dagje mee mocht lopen. ‘Is goed’, was de reactie. ‘En neem je cv maar meteen mee.’

Lees ook het volledige magazine via de website van het Bètasteunpunt Zuid-Holland

Foto: Rob Lamping