14 okt ‘Techniek geeft gestalte aan onze religieuze dromen’

In de christelijke cultuur rust er een taboe op het ‘voor God spelen’, zegt Jos de Mul, hoogleraar wijsgerige antropologie. Dit heeft volgens hem grote invloed op onze omgang met technologische ontwikkelingen zoals robots en kunstmatige intelligentie.

De Japanse film Sayonara speelt zich af in een postapocalyptisch Japan na een atoomramp. De terminaal zieke jonge vrouw Tanya verblijft in een desolate omgeving tussen bamboe- en graanvelden en wacht op bericht van de Japanse overheid dat ze geëvacueerd kan worden. Naarmate de dagen vorderen lijkt het er steeds meer op dat dat bericht nooit gaat komen. Gelukkig kan ze haar tijd doorbrengen met robot Leona, die poëzie voordraagt, haar vergezelt tijdens wandelingen en gesprekken met haar voert over sterfelijkheid, vergankelijkheid en het leven.

Mens en robot hebben in de Japanse film uit 2015 een diepe emotionele band. “De film draait om hun relatie, hun kwetsbaarheid en angst voor de dood”, vertelt Jos de Mul, hoogleraar wijsgerige antropologie en haar geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De Mul noemt de film als een voorbeeld van de omgang met robots in Japan. “Ze zijn vaak helpers van mensen.” Dat is volgens hem een fundamenteel andere houding dan in het Westen: relaxed, positief en hoopvol, in plaats van angstig en pessimistisch. De robot Leona wordt in de film Sayonara ‘gespeeld’ door Geminoid F, ontwikkeld in een lab aan de universiteit van Osaka. Ze sleepte ook nog eens een nominatie in de wacht voor beste vrouwelijke hoofdrol op het Tokyo International Film Festival, vertelt De Mul. Het onderstreept nog maar eens dat een robot in Japan gerust voor vol wordt aangezien.

Westerse sciencefictionfilms gaan bijna altijd over robots die de mensheid dreigen te vernietigen of anderszins willen domineren. De Mul noemt The Matrix, waarin de mensen legbatterijen worden voor kunstmatige intelligenties. En dan zijn er films als Blade Runner en Ex Machina. Het loopt telkens slecht voor de mens af. “Dat is eigenlijk al zo geweest vanaf Frankenstein door Mary Shelley, geschreven in 1818, helemaal aan het begin van het industriële tijdperk. Het standaardverhaal vanaf dat moment is dat de mens iets uitvindt, en dan vervolgens die mens gaat overheersen.” De filosoof ziet er een belangrijk thema in dat als een rode draad door de christelijke westerse cultuur speelt, namelijk de zonde van de hoogmoed: “de moeder van alle zonden”.

In de christelijke cultuur rust er een taboe op het ‘voor God spelen’, zegt de filosoof. Dit heeft volgens hem invloed op onze omgang met technologische ontwikkelingen zoals robots en kunstmatige intelligentie. Hoe anders zijn de gedachten en gevoelens hierover in oosterse religies en levenswijzen, merkte hij met eigen ogen tijdens reizen in Azië, gasthoogleraarschappen en conferentiebezoeken in Japan en China. Het is een thema dat terugkomt in zijn nieuwste boek Breng mij die horizon! Filosofische reisverhalen (Boom, 2019; besproken in Volzin, augustus 2019). Als opmerkzame, enthousiaste en nieuwsgierige reiziger vertelt hij in dit boek over de omzwervingen over de wereld die hij de afgelopen vijfendertig jaar maakte.