01 feb Zeldzaam maar zeker: bekering onder de loep

De westerse wereld seculariseert in rap tempo, maar tegen de stroom in zijn er die enkelingen die besluiten om zich tot een nieuw geloof te wenden. Wie zijn deze mensen, en waarom besluiten zij zich te bekeren? “Er zijn nogal wat misverstanden over deze nieuwe gelovigen.”

Tekst: Elleke Bal 

De overgrootouders van de Amerikaanse schrijfster Susan Jacoby emigreerden rond 1850 vanuit Duitsland naar de Verenigde Staten. Ze waren joods, maar hun nakomelingen zouden door de jaren heen een lappendeken van religies gaan aanhangen. De meesten bekeerden zich tot het christendom. Zo werd haar oudoom Harold lid van de episcopaalse kerk nadat hij een christelijke vrouw trouwde. Haar opa zou een seculiere jood worden, terwijl haar vader een Iers-katholieke partner kreeg en rooms-katholiek werd. Jacoby raakte gefascineerd door de religieuze keuzes in haar familie en besloot een studie te maken van het fenomeen bekering door de eeuwen heen. Haar boek Strange Gods: A Secular History Of Conversion (Vreemde goden: een seculiere geschiedenis van bekering) deed in Amerika nogal wat stof opwaaien.

Dominees, wetenschappers en anderen klommen in de pen om haar conclusie te bestrijden. Wat had ze geschreven? De zogenaamd religieuze ervaring van bekeerlingen heeft meestal een seculiere verklaring, aldus Jacoby, zelf overtuigd atheïst. Haar boek documenteert talloze gedwongen bekeringen vanaf de eerste kerstening tot aan de huidige radicale islam, maar ook bekeerlingen in moderne tijden die keuzes maakten vanwege vermoedelijk financieel-economische, politieke of sociale redenen. Zo werd haar oudoom volgens Jacoby episcopaals in een tijd dat dit belangrijk was om op te klimmen op de sociale ladder. En haar gokverslaafde vader werd vooral katholiek omdat het biechten hem hielp van die verslaving af te komen.

Haar boek kreeg lof en kritiek. Sommigen noemden het een belangrijk geluid in het zeer religieuze Amerika, waar men pronkt met de vrijheid om een geloof te kunnen kiezen – maar waar die keuze voor velen als een verplichting voelt. Gelovigen noemden haar boek juist ‘cynisch’. Wie zelf niet gelooft, zal ook de ervaring van de bekering niet begrijpen, zo klonk het. Hier botsen een seculier en een religieus wereldbeeld. Toch zoekt Jacoby in haar boek een antwoord op een vraag die gelovigen en niet-gelovigen al lang bezighoudt. Als er vrije keuze is, hoe komen individuen er dan toe om een ‘ommekeer’ te maken, hun bekende omgeving achter zich te laten en deel te worden van een nieuwe geloofstraditie?